Slotovereenkomst = Bewijs

Slotovereenkomst = bewijs

Onder MiS-mediators wordt wel eens de opvatting gehoord, dat hetgeen in de slotovereenkomst staat, niet als bewijs geldt, bijvoorbeeld omdat in de startovereenkomst staat dat deelname aan de mediation niet mag worden uitgelegd als een bekentenis. Of er wordt bijvoorbeeld gedacht dat men kan voorkomen dat een slotovereenkomst als bewijs gebruikt wordt, door aan te geven dat dat niet de bedoeling is. Helaas is dat alles onjuist: de slotovereenkomst is gewoon bewijs.

Hieronder geef ik in grote lijnen voor mediators in strafzaken interessante informatie over bewijs. Het bewijsrecht is ingewikkeld, en ook net als al het recht, steeds in beweging.

Dat in de startovereenkomst staat dat deelname aan de mediation niet als bekentenis geldt, heeft als achtergrond de gedachte dat mediation, waarin je tot herstel tussen partijen wil komen van wat de een de ander heeft aan gedaan, eigenlijk alleen mogelijk is als de “aandoener” erkent dat hij de ander iets heeft aangedaan. De praktijk heeft laten zien, dat niet iedere verdachte het hem verweten strafbare feit hoeft te hebben bekend, om toch jegens de aangever iets te willen herstellen. Wij spreken tegenwoordig eerder van de “erkennende verdachte”. Zelfs tussen aanvankelijk ontkennende verdachten en aangevers vinden zinvolle mediations plaats. Om een mediaton in die gevallen niet op voorhand als onmogelijk te bestempelen (de verdachte heeft niet bekend, dus wat valt er goed te maken?) is die zin in de startovereenkomst gekomen. Maar dat betekent niet dat alles wat de mediator opschrijft en partijen ondertekenen niet als bewijs telt.

Art. 339 Wetboek van Strafvordering noemt de wettige bewijsmiddelen:

lid 1 Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:

1°. eigen waarneming van den rechter;

2°. verklaringen van den verdachte;

3°. verklaringen van een getuige;

4°. verklaringen van een deskundige;

5°. schriftelijke bescheiden.

lid 2

Feiten of omstandigheden van algemeene bekendheid behoeven geen bewijs.

Art 344 Sv geeft de definitie van schriftelijk bescheid:

1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:

1°. beslissingen in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast, alsmede in de wettelijke vorm opgemaakte strafbeschikkingen;

2°. processen-verbaal en andere geschriften, in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hunne mededeeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden;

3°. geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst, alsmede geschriften, opgemaakt door een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie;

4°. verslagen van deskundigen met het antwoord op de opdracht die aan hen is verleend tot het verstrekken van informatie of het doen van onderzoek, gebaseerd op wat hun wetenschap en kennis hen leren omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is.

5°. alle andere geschriften; doch deze kunnen alleen gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen.

2. Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft gepleegd, kan door den rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

De slotovereenkomst valt onder art 344 lid 1 sub 5 : alle andere geschriften. Die tellen alleen als aanvullend bewijs (….kunnen alleen gelden alleen in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen). Dat mag elk ander bewijsmiddel zijn, dus bijvoorbeeld het proces-verbaal, of de aangifte. Kort door de bocht: de aangifte met de slotovereenkomst kan voldoende zijn om een feit bewezen te achten. Feiten moeten wettig (met wettige bewijsmiddelen) maar ook overtuigend bewezen worden. De overtuiging van de rechter is daarmee ook van groot belang. In de praktijk kan het bewijs een dubbeltje op zijn kant zijn, de rechter moet de bewijsmiddelen wegen en beslissen of hij vindt dat het feit wettig en overtuigend bewezen is. De slotovereenkomst kan bijdragen aan de overtuiging van de rechter.

Je kunt van de rechter en de officier van justitie niet verlangen, dat zij de wet niet toepassen. Daar zijn zij doodeenvoudig alleen al ingevolge hun ambtseed toe gehouden. Het aangeven dat “het niet de bedoeling is” om een wettig bewijsmiddel (de slotovereenkomst) voor het bewijs te gebruiken, zal daarom geen gevolg hebben. Bij het bewijs van een strafbaar feit hoeft het niet alleen te gaan om de vraag of bewezen kan worden dàt het feit gepleegd is. Ook de kwalificatie van het feit moet bewezen worden: is het mishandeling of zware mishandeling, ben je medeplichtig of ben je medepleger, is het een poging of een voltooid delict, et cetera. In de SSR-leergang is hier aandacht aan besteed.

Betekenis voor mediator in strafzaken

Wat betekent het bovenstaande voor de MiS-mediator? Dat hij heel voorzichtig moet zijn in wat hij in de slotovereenkomst over de feiten opschrijft en door partijen laat ondertekenen. Je wilt als mediator ook daarin zo neutraal en onpartijdig mogelijk zijn. Voor beide partijen kan het belangrijk zijn wat er precies bewezen verklaard wordt. Voor de verdachte kan een zwaardere kwalificatie een zwaardere straf betekenen. Voor het slachtoffer kan de kwalificatie belangrijk zijn voor de vraag welke slachtofferrechten hij heeft. De mediator draagt er zorg voor dat partijen met informed consent toestemming geven de slotovereenkomst aan het dossier toe te voegen. Daar hoort bij dat ze zich zo goed mogelijk bewust zijn van de implicaties van het beschrevene, en daar zo nodig advies over kunnen vragen. Daarvoor is onder andere de bedenktijd opgenomen. Als mediator weten wij echter niet, hoe de officier van justitie of de rechter in een concrete mediation (verder) zal oordelen. We weten ook niet precies of en hoe de formulering in de slotovereenkomst bijdraagt aan het nemen van de ene beslissing of juist de andere. We weten evenmin of en hoe een bepaalde formulering de verdediging zou kunnen bemoeilijken. Het is daarom zaak daarin uiterst zorgvuldig te werk te gaan, met in het achterhoofd de wetenschap dat wat je opschrijft als aanvullend bewijs gebruikt kan worden.

Antonietta Pinkster, Amsterdam, 28-07-2021